• Home
  • Vraagstukken
  • Hoe
  • Pilots
  • Overig
  • Hoe krijg ik zicht op de doelgroep?

    Veel informatie over de doelgroepen (vo, vso, PrO, entree, mbo, jongeren in een kwetsbare positie etc) is al beschikbaar in de regio. Maar hoe krijg je goed zicht op de doelgroep? Hoe krijg je de informatie op een goede (en eenvoudige) manier bij elkaar?

    Het project Regionaal Onderwijsbeleid werkt momenteel aan een handreiking om u bij deze vraag ondersteuning te bieden. Zodra er meer informatie is, zullen wij dit op deze website plaatsen. Heeft u zelf ervaring bij het bij een brengen van informatie van allerlei partners in de regio? Of geaggregeerd niveau of per casus? Wij horen graag van u via info@regionaalonderwijsbeleid.nl.

     

    Is het zinnig om alle uitstromers uit PrO of VSO in te schrijven in het doelgroepregister?

    Praktijkschoolleerlingen worden in tegenstelling tot VSO leerlingen niet automatisch op-genomen in het doelgroepenregister. Voor hen moet dus een indicatie baanafspraak bij het UWV worden aangevraagd. Dit kan vanaf 18 jaar.
    Met een indicatie baanafspraak wordt iemand opgenomen in het doelgroepenregister. Een ondernemer die een vacature heeft kan deze op verschillende manieren vervullen. Een daarvan is om te kijken of er een geschikte kandidaat in het doelgroepenregister te vinden is. Als dat lukt en de ondernemer neemt iemand uit het doelgroepenregister in dienst geeft dat de werkgever recht op de no-riskpolis van het UWV, loonkostensubsidie en premiekorting. Voor de werknemer is eventueel jobcoaching beschikbaar. Dit is maatwerk, per persoon verschillend en is ter beoordeling aan de gemeente.

    (zie ook: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2015/03/06/kennisdocument)

    Op welke vormen van ondersteuning hebben ‘jong gehandicapten met arbeidsvermogen’ recht?

    De gemeente heeft voor jong gehandicapten met arbeidsvermogen dezelfde taken als voor mensen met een bijstandsuitkering. De gemeente biedt ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling en, waar nodig, inkomensondersteuning (via de Sociale Dienst). Gemeenten bepalen op basis van maatwerk wie voor welke vorm van ondersteuning in aanmerking komt.

    Wajong

    Vanaf 2015 is Wajong er alleen voor mensen die voor hun 18e of tijdens een studie een ziekte of handicap hebben gekregen en daardoor nooit meer kunnen werken. Tussen 2015 en 2018 gaat UWV beoordelen welke Wajongers met een uitkering van voor 2015 arbeidsvermogen hebben en kunnen werken. Wie kan werken, krijgt hulp van UWV bij het vinden van geschikt werk.

    Beschut werk

    Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het aanbieden van beschut werk aan mensen met een arbeidsbeperking. Een gemeente regelt zelf hoe en in welke gevallen zij beschut werk aanbiedt. Dit beleid hebben gemeenten voor 1 juli 2015 vastgelegd in een verordening.

    Alle gemeenten samen krijgen geld om uiteindelijk 30.000 beschutte plekken te organiseren.

    Instrumenten voor ondersteuning naar werk

    Gemeenten hebben met de Participatiewet veel voorzieningen en instrumenten gekregen om mensen met arbeidsbeperkingen te ondersteunen naar werk. Gemeenten kunnen als dat nodig is ook instrumenten inzetten om werkgevers te faciliteren.

    Gemeenten kunnen bijvoorbeeld de volgende instrumenten inzetten:

    • Met proefplaatsingen kunnen werkgever en werknemer kijken of iemand geschikt is voor de functie.Gemeenten komen met dit instrument werkgevers tegemoet in de loonkosten (vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten) als zij mensen in dienst nemen die niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen.
    • De no-riskpolis. De no-riskpolis komt werkgevers tegemoet in de loonkosten als iemand uit de doelgroep van de Participatiewet ziek uitvalt.
    • Begeleiding/jobcoach. Voor de begeleiding op de werkplek.

    Overige ondersteuning:

    • Het regionale Werkbedrijf speelt een belangrijke rol bij de matching. Het ondersteunt werkgevers om mensen uit de doelgroep te plaatsen op de extra banen.
    • De regionale Werkgeversservicepunten ondersteunen de werkgevers die regionaal en lokaal werken. Het landelijk Werkgeversservicepunt is er voor werkgevers die bovenregionaal en landelijk werken. Deze Werkgeversservicepunten kunnen werkgevers ondersteunen en advies geven over de mogelijkheden binnen hun bedrijf om mensen met een arbeidsbeperking aan de slag te krijgen. Door bijvoorbeeld taken op een andere manier te organiseren, zodat er een geschikte functie voor iemand met een arbeidsbeperking ontstaat (het bedrijfsadvies inclusieve arbeidsorganisatie).
    • Ook het UWV en sw-bedrijven kunnen werkgevers adviseren over geschikte functies voor mensen uit de doelgroep.
    Waar gaat Regionaal Onderwijsbeleid over?

    Regionaal Onderwijsbeleid gaat over samenwerking tussen gemeenten, onderwijs en arbeidsmarkt rondom thema’s die hen (regionaal) verbinden.

    Eind 2014 is de VNG een meerjarig ondersteuningtraject ‘Van onderwijs naar arbeidsmarkt: Naar nieuw regionaal onderwijsbeleid’ gestart. De VNG wil gemeenten motiveren en ondersteunen om in samenwerking met onderwijs en werkgevers in de regio een nieuwe invulling te geven aan regionale samenwerking op het terrein van onderwijsbeleid. Dit ondersteuningstraject zet in op het slim verbinden van opgaven die het lokale domein overstijgen. Door de decentralisatie in het sociale domein krijgen gemeenten en onderwijs meer ruimte om verbinding aan te brengen tussen passend onderwijs, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en participatiewet.

    Het ondersteuningstraject wordt in opdracht van de VNG uitgevoerd door een consortium van drie bureaus:

    • Oberon onderzoek & advies (www.oberon.eu)
    • Kenniscentrum Beroepsonderwijs Arbeidsmarkt (www.kbanijmegen.nl)
    • Densa adviseurs (www.densa.nl)

    Het project biedt directe ondersteuning in en voor pilotregio’s – waaronder scholing – en stelt op deze website praktische instrumenten beschikbaar aan alle regio’s. Daarnaast kunt u voor vragen terecht bij het projectteam.

    Wat zijn de financiële mogelijkheden voor regionale samenwerking tussen gemeente en onderwijs?

    Er zijn verschillende financiële mogelijkheden voor regionale samenwerking. Zo is het waar het gaat om de ondersteuning van schoolverlaters uit het PrO, VSO en entree onderwijs mogelijk om de volgende financiële middelen in te zetten vanuit de wettelijke en gemeentelijke voorzieningen:

    • Inzet van loonkostensubsidie tot een maximum van 70 % van de vastgestelde loonwaarde
    • Inzet van de no-riskpolis
    • Premiekorting van maximaal € 2.000 p.j. bij 36-urige werkweek (maximaal 3 jaar)
    • VSO schoolverlaters vallen automatisch onder banenafspraak (Doelgroepregister UWV)
    • Inzet van een jobcoach
    • Voorzieningen op de werkplek
    • Proefplaatsing
    • Inzet van (re)integratiebudget

    Via de scholen worden veelal twee subsidiestromen ingezet:

    • Jeugdwerkloosheid
    • ESF gelden

    Handige weetjes:

    • Gemeenten kunnen vanuit de Participatiewet thuiswonende schoolverlaters van 18 tot 21 jaar inkomensondersteuning bieden.
    • Gemeenten kunnen meteen arbeidsondersteuning bieden als jongeren zonder werk zitten, zonder 4 weken zoektermijn. De zoektermijn is er wel voor de uitkering.
    • Gemeenten hebben tot taak arbeidsondersteuning te bieden aan niet-uitkeringsgerechtigden. Dit is ook mogelijk aan jongeren onder 18 jaar
    • Gemeenten kunnen loonkostensubsidie inzetten voor de hele doelgroep van de Participatiewet, voor zover deze mensen niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen.
    Wat zijn de juridische kaders voor regionale samenwerking?

    Zowel het onderwijs als gemeenten hebben wettelijk verplichtingen. Op regionaal niveau gaat het hier met name om afstemming en samenwerking op vroegtijdig schoolverlaten (vsv-aanpak) en de jeugdwerkloosheid. Juridische kaders zijn onder meer: de Wet op het voortgezet onderwijs, Wet Educatie en Beroepsonderwijs, de Participatiewet en de Jeugdwet.

    Het is ook mogelijk (maar niet wettelijk verplicht) om regionaal samen te werken op het gebied van jeugdhulp (aansluiting passend onderwijs) of leerlingenvervoer.

    Wat zijn de regels voor RPO’s?

    Zie voor de juridische kaders de Wet op het Voortgezet onderwijs, Artikel 7 en de VNG biedt een stukje geschiedenis over regionale plannen in onderwijsvoorzieningen.

    Er is een verwachte wetswijziging op komst: een wettelijke verplichting tot op overeenstemming gericht overleg (OOGO) in krimpregio’s. Het overleg moet leiden tot een meerjarig plan voor het toekomstbestendig maken van het onderwijsaanbod. Oorspronkelijk plan was de wetswijziging in te laten gaan per 1 augustus 2016.  (OCW:Wetsvoorstel Leerlingendaling in het funderend onderwijs).

     

    Welk onderwijsaanbod zijn scholen of schoolbesturen verplicht in stand te houden?

    Scholen zijn verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod. In sommige regio’s komt er door teruglopende leerlingaantallen druk te staan op het onderwijsaanbod. Door samenwerking kunnen scholen leerlingen samen lesgeven, waardoor het makkelijker wordt de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Scholen kunnen leerlingen aan elkaar uitbesteden. Voor scholen die gezamenlijk de profielen of sectoren in vwo, havo of de theoretische leerweg van het vmbo willen aanbieden, wordt een pilot gestart. Het is uiteraard ook mogelijk om deze problematiek met een fusie aan te pakken.

    Aanbodverplichting van alle profielen en sectoren

    Als een school vmbo-t en/of havo/vwo aanbiedt, is de school verplicht om alle vier de sectoren in het vmbo-t en/of alle vier de profielen in het havo en vwo aan te bieden (Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo), art. 10, lid 3 en art. 12, lid 3). Als leerlingen worden uitbesteed – op grond van artikel 25a van de Wvo – blijft een school verantwoordelijk voor de uitbestede leerlingen. Een voorwaarde daarbij is dat de school tenminste één profiel of sector binnen de eigen school verzorgt. In het geval van zo’n samenwerking voldoet een school aan de aanbodverplichting.

    Voor scholen die ervoor kiezen om gezamenlijk de profielen en sectoren aan te bieden en onderling leerlingen over te schrijven, is wel een ontheffing van de aanbodverplichting nodig. Voor scholen die kiezen om gezamenlijk profielen aan te bieden door leerlingen over te schrijven, is het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een pilot gestart om hen via een beschikking te ontheffen van deze verplichting.

    Zie ook: Samen sterker bij leerlingendaling, handreiking bij samenwerkingsvraagstukken in het voortgezet onderwijs en de Kamerbrief over dit onderwerp.

     

    Welke mogelijkheden zijn er om mbo-opleidingen op het vmbo aan te bieden?

     In ‘Wat moet en wat mag in het nieuwe vmbo’ staat het antwoord op deze vraag beschreven. In vier hoofdstukken (onderwijsaanbod, onderwijsvormgeving, examinering en onderwijsorganisatie) wordt de bestaande ruimte zichtbaar gemaakt. Er wordt ook duidelijk gemaakt wat landelijk is voorgeschreven. Hieronder is een kort overzicht gegeven van landelijk beleid en mogelijkheden voor regionale afspraken over doorstroom van vmbo naar mbo.

    Met ingang van 1 augustus 2014 is de eerste lichting experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo gestart (zie besluit experimenten doorlopende leerlijnen vmbo-mbo 2014-2022) . De experimenten worden ingericht als doorlopende leerlijn vanaf het derde leerjaar van het vmbo tot en met een diploma mbo. De experimenten vinden plaats als samenwerking tussen een vmbo-school en een mbo-instelling. Er zijn twee varianten mogelijk: een vakmansschaproute en een beroepsroute. Een vakmanschaproute of beroepsroute wordt aangeboden als één programmatisch geheel voor de leerlingen op de locaties van de school en de instelling.

    Doorstroom

    Landelijk beleid

    • De doorstroomregeling vmbo-mbo regelt de doorstroomrechten van vmbo-leerlingen naar het mbo.
    • Bij een tussentijdse overstap van vmbo naar mbo is het mogelijk financiële middelen over te hevelen naar het mbo. De jongere wordt dan bij de vmbo-school uitgeschreven en ingeschreven bij de mbo-instelling.
    • Het is ook mogelijk om een deel van het programma aan het mbo uit te besteden. De jongere blijft dan ingeschreven bij de vmbo-school.

    Regionale afspraken

    • Mbo-instellingen mogen leerlingen op een hoger niveau in laten stromen dan waar de leerlingen op grond van de doorstroomregeling recht op hebben. Bijvoorbeeld na overleg met de toeleverende school.
    • Vmbo en mbo kunnen in de regio afspraken maken over leerlingen die gebaat zijn bij een tussentijdse overstap naar het mbo.
    • De vmbo-school kan een deel van het programma laten verzorgen door het mbo.
    • Dergelijke afspraken moeten worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.
    Welke plichten hebben VSO en praktijkscholen in het bieden van nazorg aan hun leerlingen?

    Het praktijkonderwijs is nog niet ‘klaar’ als de leerling de school verlaat. Er wordt van uitgegaan dat de school de leerling enige vorm van nazorg verleent na het verlaten van de school. De nazorg kan verschillende  vormen hebben: ambulante begeleiding, job coaching, en dergelijke.

    In ieder geval behoort het volgen van de leerling tot de nazorg, zodanig dat de school weet waar de leerling is terechtgekomen. De praktijkscholen (PrO) voeren dit aspect van de nazorg uit met behulp van de inmiddels bekende uitstroommonitor en volgmodule. In de afgelopen jaren is er wel discussie met OCW geweest over wat deze nazorg inhoudt. Uiteindelijk heeft de toenmalige minister Van der Hoeven het volgende gesteld: “Er staat dat enige nazorg moet worden gegeven. Het gaat erom dat de keten goed werkt, dat de werkgever en de arbeidsmarktinstanties gebruikmaken van de praktijkonderwijsscholen of van informatie over de oud-leerling om de verdere ontwikkelingen van die leerling op de arbeidsmarkt te bevorderen. De school moet dus niet de taak van andere instanties overnemen. De bekostiging gaat uit van onderwijs, arbeidstoeleiding en enige vorm van nazorg.”

    De Inspectie van het onderwijs zegt hierover: “Onder nazorg verstaat de inspectie dat de school als bemiddelaar optreedt en de contacten legt met instanties die ervoor kunnen zorgen dat een leerling weer aan de slag komt of in een traject komt dat leidt naar arbeid of een opvang met als doel arbeid weer mogelijk ter maken”.

    Uitgangspunt is dat de school de nazorgtaak gedurende minimaal één jaar nadat de leerling de school heeft verlaten, uitvoert. Afspraak tussen het Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs en de Inspectie van het onderwijs is, dat de scholen hun ex-leerlingen met de uitstroommonitor en volgmodule volgen gedurende een periode van twee jaar na het verlaten van de school.

    Zie voor meer informatie bijgevoegd document.

    Welke wettelijke veranderingen komen er aan voor de RMC-functie?

    De taken van de RMCs worden geformaliseerd door wetsveranderingen aangekondigd in diverse kamerbrieven in 2015. Zo wordt de regietaak – het coördineren van bestuurlijk overleg en het coördineren van een sluitend vangnet – wettelijk bij de RMCs neergelegd. Veel RMCs waren hier al mee bezig. Daarnaast worden RMCs ook belast met het monitoren en begeleiden van jongeren in een kwetsbare positie uit het VSO en PrO (16 tot 23). Een deel van deze groep was al in beeld bij het RMC; het betreft hier met name de jongeren uit een uitstroomprofiel arbeid of dagbesteding. Deze jongeren zijn veelal al in beeld bij de gemeente maar nog niet (altijd) bij RMCs.

    Ook het begeleiden van jongeren van 23 tot 27 jaar naar onderwijs of arbeid is een uitbreiding van de taken voor het RMC, maar niet voor gemeenten in brede zin (Participatiewet art. 7 en 10). Inmiddels geldt dit ook niet al seen taakverandering voor veel RMCs, gezien de aanvullende afspraken die zijn gemaakt tussen OCW en SZW. SZW maakt bestuursafspraken met gemeenten over betere aansluiting van de  aanpak van voortijdig schoolverlaten op die van de aanpak jeugdwerkloosheid. Minister Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid past daarnaast de Participatiewet zo aan dat ook de groep jongeren van 23 tot 27 vanaf 2017 door een koppeling van gegevens ‘in beeld’ kan komen en hulp kan krijgen.

    Staat uw vraag er niet tussen? Vul hieronder het contactformulier in en wij voorzien u spoedig van antwoord.