• Home
  • Vraagstukken
  • Hoe
  • Pilots
  • Overig
  • Van school naar werk: naar een andere benadering

    De overgang van school naar werk verloopt voor de meeste jongeren zonder veel problemen. Jaarlijks is er echter ook een groot aantal jongeren dat er niet in slaagt om een succesvolle overgang te maken. Zij slagen er niet in werk te vinden, of als ze werk vinden dat te behouden. Vaak ligt de oorzaak in een combinatie van factoren, waarvan een deel aan de persoon gebonden is. Het betreft leerlingen uit het praktijkonderwijs, voortgezet special onderwijs en entreeopleiding, maar ook jongeren uit het mbo op de hogere niveaus. Al deze jongeren zijn tijdens hun opleiding aangewezen op extra ondersteuning en hebben die hulp ook nodig in de overgang naar werk. Het is een hardnekkige problematiek: ondanks alle inzet vallen nog altijd jaarlijks duizenden jongeren buiten de boot met het risico van langdurige werkloosheid.

    Analyse

    Voor jongeren met een extra ondersteuningsbehoeft zijn meerdere oorzaken aan te wijzen waarom het zo moeilijk blijkt om hen goed te ondersteunen in de overgang naar werk. Hiermee wordt gedoeld op de doelgroep van passend onderwijs: jongeren voor wie extra ondersteuning nodig is in het mbo, of jongeren die via vso of praktijkonderwijs voorbereid worden op de arbeidsmarkt. Jongeren in het reguliere VO (vmbo, havo, vwo) stromen in de regel door naar vervolgonderwijs, niet naar de arbeidsmarkt. Overigens geldt ook voor die groep de afbakening doelgroep passend onderwijs.

    Op de eerste plaats heeft het te maken met de overgang op zich: terwijl de loopbaan van de jongere doorloopt, is er een forse breuk in de betrokkenheid van maatschappelijke partijen. De school laat de leerling los, terwijl verdere ondersteuning nog nodig is. Veranderingen in wetgeving (Wajong, Participatiewet, Wmo, passend onderwijs) creëren bovendien een (tijdelijke) onzekerheid over taken en mogelijkheden. De betrokken partijen, die hem daarbij kunnen helpen, hebben elk eigen doelstellingen en delen niet een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de jongere en de overgang. In de benadering staat niet de jongere zelf voorop, maar de normen waaraan hij moet voldoen. De jongeren in de doelgroep hebben vaak te maken met complexe problematiek en met een lange voorgeschiedenis. Om hen effectief te kunnen helpen is het nodig daarvan kennis te nemen en samen met de jongeren te werken aan oplossingen. Het gesprek met de jongere gaat vaak niet over wat hij nodig heeft, maar over wat hij moet.

    Op de tweede plaats wordt vaak gewezen op het tekort aan passende stage- en vooral werkplekken voor deze doelgroepen. Hoewel het de vraag is of er in absolute zin sprake is van een tekort, blijkt dat het zeker niet altijd lukt om jongeren naar een werkplek te begeleiden.

    De analyse schetst een problematiek die niet nieuw is, maar die de laatste jaren wel steeds relevanter is geworden. Nu het VSV-beleid vruchten afwerpt, gaat de aandacht steeds meer uit naar de jongeren die het desondanks niet redden – en in het verlengde daarvan naar de jongvolwassenen die al eerder de boot gemist hebben.

    Andere benadering

    Het gaat ook vaak wel goed. Er zijn veel verhalen van individuele professionals die jongeren weten te bereiken. Er zijn good practices van scholen, bedrijven en gemeenten die samen verantwoordelijkheid nemen. Vaak vinden school en gemeenten elkaar in afspraken rondom arbeidsmarkt toeleiding vanuit de entreeopleidingen. In deze goede voorbeelden tekent zich een andere, meer op de jongere gerichte benadering af. Het zijn aanwijzingen voor een nieuwe aanpak waarin de loopbaan van de jongere centraal staat. Het gaat bijvoorbeeld over co-creation van leerwerkplekken door scholen en bedrijven, om preventieve, vroegtijdige samenwerking tussen gemeente en scholen of om de inzet van jongerenwerkers om uitgevallen jongeren te benaderen en te bereiken. Kenmerkend voor de initiatieven is dat men start vanuit de jongere en zijn loopbaan, dat wil zeggen de overgang van school (of ook werkloosheid) naar werk.

    De andere benadering die nodig is, kent vier pijlers:

    • Het transitiedenken: de overgang van school naar werk is geen overgangsmoment, maar een proces dat begint in de school en doorloopt in het werk.
    • Anders begeleiden: het vertrekpunt in de begeleiding is de jongere en zijn verhaal. Daarbij wordt gekeken naar alle leefgebieden. In de begeleiding zijn persoonlijk contact, vertrouwen, eigen verantwoordelijkheid en continuïteit de sleutelwoorden.
    • Passend werk maken: werk- en stageplaatsen voor deze doelgroep zijn vaak maatwerk. Werkgevers staan vaak open voor een plaatsing, maar dan moeten zij ook geholpen worden met begeleiding, het wegnemen van risico’s of financiële compensatie. De potentie van werk is er vaak wel, maar werkgevers moeten verleid worden om de jongere aan te nemen.
    • Alternatieve routes: er is heel veel mogelijk binnen het reguliere kader van onderwijs en participatie. Toch blijven er jongeren en jongvolwassenen voor wie een alternatief nodig is. Vaak gaat het om personen die veel persoonlijke aandacht en op hun situatie afgestemde inzet nodig hebben. Kenmerkend is dat de alternatieve routes zich vaak buiten het reguliere systeem vormen.

    Maatwerk 2.0

    Uit het voorgaande blijkt dat maatwerk het sleutelbegrip is. Maatwerk in de transitie van school naar werk voor individuele jongeren en maatwerk in manier waarop een individueel (leer)bedrijf betrokken kan worden. Maatwerk is een vaak gebezigd en daarmee ook afgesleten begrip. Waar we hierover spreken is een nieuwe, meer radicale vorm van maatwerk waarin het niet in de eerste plaats gaat om flexibilisering van het systeem, maar om te doen wat nodig is voor een individu. Daarbij gaat het om een integrale benadering: alle levensgebieden, gericht op participatie in brede zin.

    Het is duidelijk dat dit type oplossingen op regionaal of lokaal niveau gerealiseerd moet worden. Partijen als de school, de gemeente en bedrijven zijn als eerste aangesproken, in tweede instantie ook hulpverlening, jongerenwerk en anderen. Zoals gezegd zijn er regio’s met voorbeelden van (elementen uit) de andere benadering: jongerenwerkers die ingezet worden om ‘onbereikbare’ vsv’ers op te zoeken, ‘jobhunters’ die in gesprek gaan met bedrijven om te kijken wat nodig is om een jongere geplaatst te krijgen, gemeenten die in het laatste jaar van de opleiding samen met school naar het vervolg kijken, scholen die samen met bedrijven passende stageplekken creëren.